VWO/gym 2 - DOGEografie

Ga naar de inhoud

VWO/gym 2

Presentatie H4.2 + 4.3 Consumeren of consuminderen
11 mei 2020
Planner
5 mei 2020
Toets H4.1 Duurzaam ontwikkelen
18 mei 2020
Zoomles 6 april
Presentatie H3.4-3.5
Uitleg test ecologische voetafdruk
14 april 2020
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
Antwoordmodel
thuisgeleerd.nl
Hoofdstuk 3: Water
Leerdoelen

Paragraaf Vaardigheden: Werken met EduGIS
  • Je beheerst de stof van dit onderdeel.

Paragraaf 3.1 Wereld: Water in beweging
  • Je weet hoe de korte- en de lange waterkringloop werkt en in welke vormen water is opgeslagen.
  • Je begrijpt waarom veel water ongeschikt of onbereikbaar is voor de mens en dat nog veel water verspild wordt.
  • Je kunt (te) droge en (te) natte gebieden op aarde op de kaart van elkaar onderscheiden.

Paragraaf 3.2 Wereld: Water in balans
  • Je weet de betekenis van alle begrippen die samenhangen met de waterbalans en duurzaam waterbeheer.
  • Je begrijpt hoe een waterbalans in elkaar steekt.
  • Je kunt het belang uitleggen van duurzaam waterbeheer.

Paragraaf 3.3 Wereld: Soms te veel
  • Je weet welke gebieden grotere overstromingsrisico’s kennen.
  • Je begrijpt waarom het overstromingsrisico van veel gebieden toeneemt.
  • Je kunt een aantal maatregelen beoordelen om overstromingsrisico’s te verkleinen.

Paragraaf 3.4 Wereld: Vaak te weinig
  • Je weet dat waterstress door fysieke- en economische watertekorten kan ontstaan.
  • Je begrijpt waarom toenemende waterstress tot een wateroorlog kan leiden.
  • Je kunt een aantal maatregelen beoordelen om watertekorten op te heffen.

Paragraaf 3.5 Nederland: De zee klopt op de voordeur
  • Je weet welke soorten polders er zijn en dat er misverstanden bestaan over de veiligheid.
  • Je begrijpt waarom het overstromingsrisico van Laag-Nederland toeneemt en hoe men daar de kust tegen beschermt.
  • Je kunt op de kaart van Nederland verschillende polders en kustgedeelten aanwijzen.

Paragraaf 3.6 Nederland: De rivieren kloppen op de achterdeur
  • Je weet wat de drietrapsstrategie inhoudt.
  • Je begrijpt waarom we rivieren meer ruimte moeten (terug) geven en waarom preventie van grotere piekafvoeren op langere termijn beter is dan rampenbestrijding op korte termijn.
  • Je kunt gebruikmaken van de mogelijkheden van EduGIS.

Paragraaf 3.7 Nederland: Watervervuiling
  • Je weet op welke manieren water vervuild wordt.
  • Je begrijpt waarom watervervuiling ongewenst is voor de volksgezondheid en het milieu.
  • Je kunt een aantal maatregelen beoordelen om de waterkringloop duurzaam te maken.
Zandmotor
Studiewijzer H3
Waarom stijgt de zeespiegel als je watermeloen eet?
Hoofdstuk 2: Steden
Leerdoelen Hoofdstuk 2: Steden

Paragraaf 2.1 Wereld: Leven in de grote stad
  • Je weet welke vier kenmerken een stad heeft.
  • Je begrijpt het verschil tussen een megastad en een wereldstad.
  • Je kunt beschrijven hoe het leven in een megastad verschilt van dat in een wereldstad.

Paragraaf 2.2 Wereld: De spreiding van wereldsteden
  • Je kent de factoren die de ligging van steden beïnvloeden.
  • Je begrijpt het verschil in verstedelijkingstempo tussen rijke en arme landen.
  • Je kunt het verband tussen verstedelijkingsgraad, verstedelijkingstempo en welvaart uitleggen.

Paragraaf 2.3 Wereld: De stad verandert
  • Je weet hoe een westerse en een niet-westerse stad is opgebouwd.
  • Je begrijpt dat verstedelijking steeds vaker plaatsvindt in de randzone van de stad.
  • Je kunt met een kaart of model de opbouw van een Amerikaanse stad beschrijven.

Paragraaf 2.4 Wereld: Megastad, krachtstad met groeistuipen
  • Je weet wat de belangrijkste redenen zijn voor de woon-, werk- en milieuproblemen in een megastad.
  • Je begrijpt waarom de informele sector ‘de smeerolie van de stedelijke economie’ wordt genoemd.
  • Je kunt met een kaart of foto uitleggen hoe een krottenwijk verandert.

Paragraaf 2.5 Nederland: Land zonder een echt grote stad
  • Je weet waar de belangrijkste steden en stedelijke gebieden in Nederland liggen.
  • Je begrijpt het verband tussen het dienstenniveau van een stad en de omvang van het verzorgingsgebied en de reikwijdte.
  • Je kunt de ontwikkeling van stad tot stedelijk gebied uitleggen.

Paragraaf 2.6 Nederland: Stad in de steigers
  • Je weet met welke maatregelen je de stad weer aantrekkelijk kunt maken.
  • Je begrijpt waarom grote steden mensen uit de randgebieden van Nederland aantrekken en afstoten.
  • Je kunt met hulp van kaarten de veranderingen in de Nederlandse stad beschrijven.

  • Je weet welke milieuproblemen een grote stad kent en wat mogelijke oplossingen zijn.
  • Je begrijpt de voordelen en risico’s als bewoner van de smart city.
  • Je kunt beoordelen voor wie de stad bedoeld is.
Paragraaf 2.7 Nederland: De stad van de toekomst
Download studieplanner
Download
Download
Hoofdstuk 1: Landschappen
Leerdoelen Hoofdstuk 1

Paragraaf 1.1 Wereld: Gebergten ontstaan, gebergten verslijten
  • Je weet de verschillen tussen een jong- en een oud gebergte.
  • Je begrijpt hoe uit oceaanbodem en vulkanisme bergen kunnen ontstaan.
  • Je kunt op een foto fossielen en het stollingsgesteente graniet herkennen.

Paragraaf 1.2 Wereld: Gesteente verandert
  • Je weet het verschil tussen mechanische en chemische verwering en hoe die verwering werkt.
  • Je begrijpt waarom het klimaat invloed heeft op de aard en snelheid van verweringsprocessen.
  • Je kunt aan de hand van een tekening uitleggen hoe grotten ontstaan.

Paragraaf 1.3 Wereld: Gesteente wordt verplaatst
  • Je weet wat massabewegingen zijn.
  • Je begrijpt dat door verwering en erosie gebergten worden aangetast en grind, zand en klei ontstaan.
  • Je kunt een rivierdal en een gletsjerdal herkennen aan de hand van kenmerken op een foto.

Paragraaf 1.4 Wereld: Waar blijft alle grind, zand en klei?
  • Je weet op welke manier zandbanken, duinen, een delta en een estuarium worden gevormd.
  • Je begrijpt dat in een laagvlakte sedimentatie optreedt en dat uit samengeperste sedimenten na lange tijd sedimentgesteenten ontstaan.
  • Je kunt met behulp van een foto de naam en een aantal kenmerken van sedimentgesteente benoemen.

Paragraaf 1.5 Nederland: Het landschap in Hoog-Nederland
  • Je weet waarom de grond in Hoog-Nederland onvruchtbaar is en hoe het geschikt is gemaakt voor akkerbouw.
  • Je begrijpt hoe het reliëf in Hoog-Nederland is ontstaan en dat daarbij zwerfstenen zijn achtergebleven.
  • Je kunt op een topografische kaart Hoog-Nederland met de stuwwallen en smeltwaterdalen aanwijzen.

Paragraaf 1.6 Nederland: Het landschap in Laag-Nederland
  • Je weet welke maatregelen de mens in Laag-Nederland heeft genomen om zich tegen het water te beschermen.
  • Je begrijpt hoe Laag-Nederland is opgevuld met veen en klei.
  • Je kunt met behulp van een foto of topografische kaart bepalen of een landschap in Hoog- of in Laag-Nederland ligt.

Paragraaf 1.7 Nederland: Het landschap in Zuid-Limburg
  • Je weet welke gesteenten en grondsoorten in Zuid-Limburg voorkomen en hoe ze ontstaan zijn.
  • Je begrijpt hoe opheffing en erosie door rivieren een dallandschap hebben gevormd.
  • Je kunt met behulp van een foto of topografische kaart een dallandschap herkennen.

Hoe zit dat nou met die werking van het landijs op de vorming van stuwwallen in Nederland?
In de afbeelding hieronder van Soest / Soesterberg wordt dat nog een keer uitgelegd:


Onderstaande bestanden (presentaties + antwoorden) zijn op 28 oktober 2019 geüpdate naar de juiste vwo-versie van buiteNLand
Download
Download
Download
Quizlet hoofdstuk 1: landschappen
Terug naar de inhoud